Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Gemeentelijke spotnamen

 GEMEENTELIJK  SPOTNAMEN en hun ONTSTAAN 

Spotnamen, spotverhalen, domme gezegden en geestigheden hebben altijd bij de mensen in een hoge gunst gestaan. De mens heeft steeds heel gaarne met zijn nabuur gespot! Zulks was reeds het geval in de oudheid. Tijdens de middeleeuwen en later ging het er al even erg aan toe. De naijver en afgunst die onze gemeenten bezielden was misschien wel de hoofdoorzaak van de gegeven spotnamen. Een tweede reden waaraan het ontstaan van spotnamen te wijten is, was de afzondering van de verschillende plattelandsdorpen. Er was gebrek aan gemeenschapswegen en er waren ook geen verkeersmiddelen. Onze voorouders bleven steeds binnen de perken van hun eigen gemeente en ze kwamen zelden of nooit in contact met de bewoners van andere dorpen, zodat ze mekaar voor vreemdelingen aanzagen. Dit alles gaf aanleiding tot wederzijds wantrouwen en onderlinge vijandschap. Om met de bewoners van de nabij gelegen dorpen te schimpen, nam men alles te baat. De kleinste gebeurtenis, het minste feit, werd verdraaid, vergroot en rondgebazuind. Deze feiten lagen dan meestal aan de basis van de spotnaam. Onze voorouders waren beslist niet kieskeurig met het kiezen van hun namen. Sommige schimpnamen waren wel wat plat en realistisch. Eens de spotnaam in voege, werd deze dan overgeleverd van geslacht tot geslacht.

De bijnaam van de Bruggelingen is Brugse zotten. Deze bijnaam danken ze aan volgende legende: nadat ze Maximiliaan I van Oostenrijk voor een tijd gevangen hadden genomen, verbood deze het houden van een jaarmarkt en andere festiviteiten. In een poging om hem te sussen, hield Brugge voor hem een groot feest en vroeg daarna voor de toelating opnieuw een jaarmarkt te houden, belastingen te mogen innen én ... het bouwen van een nieuw zothuis. Hij antwoordde: Sluit alle poorten van Brugge en je hebt een zothuis!.

Tussen haakjes aanduiding van de provincie.
Onder de link schuilt het ontstaan van de spotnaam.

Aaigem (O): Aaigemse boeren
Aalst (L.): tijlozen 
Aalst (O):
 ajuinen, de draaiersvoile janetten
Aalter (O.): gekkers (= spotters)
Aarschot (B.): 
kasseistampers.
Aartselaar: kleiboeren.
Achterbroek (Kalmthout-Wuustwezel) (A.): kwarten 
Akkergem-Gent (O.): koolkappers
Alken (L.): vliegeneters
Alsemberg (B.): 
trapschijters, klokluiers.
Alveringem (W): Anderlecht (B.): boeren van Sint-Wijen
Antwerpen (A.): 
sinjorenpagadder.
Anzegem : gapers.
Appelterre (W): toebakboeren
Ardooie (W.): " steek de mood "
Arendonk (A.):
 telouwerel'ers (bordenlikkers), tsjoeker, kousenwevers. 
Asse (B.): kazakken, koekenvers 
Assenede (O.): 
kasseibijters, saluuts (= vissoort)
Avelgem (W.): ruggenaars 
Averbode: 

vervolg B

 

B

Baaigem (O.): rotzitters (= krot, armoede) 
Baal: kiekenfretters
Baardegem (O.): varinkdorsers (= varensdorsers)
Baasrode (O.): kalfeters (in verband met scheepswerf)
Balegem (O.): 
haringeters. 
Balen (A.): messevichters, kerkenkruiers. 
Bambrugge: geitenmelkers. 
Bassevelde (O): ezels
Bavegem: (toren)schijters
Bavikhove (W): bruieters
Bazel : bazelse bulten
Beaumont: 
de rovers van Beaumont
Beek (L.): de "gruun", Duivel verhindert man toverboek in den ove te gooien. 
Beernem (W.): beren
Beerse (A.): 
zatlappen, paret ters 
Beersel (B.): kèèsboeren, paret-ters
Beerze (A.): brekken (= grote mieren)
Bekkerzeel (B.): broodfrèters 
Bekkevoort: 
terpentijntrekkers.
Bellegem (W.): waterratten 
Bellem (O.): papeters 
Belsele (O.): 
klokkelappers. 
Berendrecht (A.): reigers. 
Beringen (L.): pintvegers (= drinkers)
Bergen-op-Zoom: krabben.
Berlare (O.): heikrekels, puitenslagers, kantgaarders.
Bertem (B.): tuisers (paardenhandelaars)
Beselare (W.): 
toveressen, heksen.
Bever (H.): stoefers 
Beveren (A.): puitslagers. 
Beveren-aan-Leie (O.): bonenklakkers
Beveren-Waas (O.): geitekoppen,
puitslagers
Beverst (L.): koekenbakkers
Bilzen (L.): pootsteerters, stoepenkijkers,trotwaarlopers. 
Blankenberge (W.):duinenslapers, butten, geernaarts
Bocholt (L.): torenkruiers.
Bonheiden (A.): grote mannen 
Boom (A.): hondenfrètters 
Boorsem: jutten
Borgloon (L.): strooplekkers,appelvreters, appelstoters, appelstokers. 
Bornem (A.): boskrabbers.
Bosvoorde (B.):bezembinders . 
Bouwel (A.): bladerendabbers
Bovekerke (W.): ratten 
Branst (A.): 
vliegende geitenzandstuivrs.
Brasschaat (A.): kapittelmakers.
Brecht (A.): mastentoppen,struiven.
Bree (L.): langorenkwaartjeslimmers, stoepluipers. 
Breendonk (A.): mëttens (jonge kalveren) 
Breivelde-Grotenberge (O.): steenezels 
Brugge (W.): Brugse zotten.hanze.
Burst: stro-ze(i)kers
Brussegem (B.): afkloppers
Brussel (B.): 
kiekenfrettersketjes.
Brustem (L.): lijnen broeken
Buggenhout (O.): bosuilen 
Buvingen (L.): lawijdmakers 

 

vervolg D & E

 

D

Dadizele (W.): 
pompeschitters.
Daknam (O.): hottentotten.
Damme (W.): zuipers.
Deftinge (O.): raapeters
Deinze (O.): koordenmakers
Denderbelle (O.): koeien 
Denderhoutem (O.): turfboeren
Denderleeuw (O.): 
scheepstrekkers.
Dendermonde (O.): kopvleesfrettersmakeleters (= vissoort), flauzenmakersknaptandenpolydoorkesscheepstrekkers.
Dentergem (W.): papeters .
Dessel (A.): wolspinners, heikneuters 
Destelbergen: niks bekend
Desteldonk (O.): trotters (trot = appelmoes) 
Diegem (B.):
 marktboeren 
Diepenbeek (L.): schoverik, aanjagers
Diest (B.): mosterdschijters, loterbollen 
Diksmuide (W.): beutereters (= boter) 
Dilbeek (B.): konijnenfretters.
Dilsen (L.): gekken 
Dormaal (B.): weervolven, vuurmannen
Drogenbos (B.): kèèskrabbers
Duras (L.): slaven 
Dworp (B.): bosuilen, 
drankstoempers.
De Haan (W.): dennelopers
De Klijte - Reningelst (W.): keien 

E

Edegem (A.): 
afrijders, zonneblussers. 
Edingen (H.): tietjes (van Jan-Baptist) 
Eeklo (O.): 
dobbelgebakkenengrebbeschijters, herbakkers. 
Eikevliet (A): grote zwiet ze hebben een toren maar ge ziet hem niet.
Eindhout (A.): Enderste tutten 
Eine (O.): wevers 
Eisden (L.): bosberen 
Ekeren (A.): 
bierpruvers. 
Eksaarde (O.): blauwbuiken witvissen 
Eksel: bougezoekers
Elen (L.): vrijeleers (= twisters)
Elene (O.): 
dommeriken. 
Elsene (B.): hondeknagers
Elversele: rostekoppen
Ename (O.): kletskoppen 
Erondegem: 
plekkers.
Erpe (O.): palokeneters. 
Erps: ezels, de heren van Erps. 
Ertvelde (O.): peerdesaucieseters
Erwetegem (O.): pikkels, tekkers 
Essegem (B.): Essen (A.): 
papeters, blazen (van vechten met varkensblazen)
Essenbeek: zoavelkoppen
Essene (B.): 
papeters 
Etterbeek (B.): botermelkzakken
Eupen: belgier
Everbeek (H.): 
bosuilen, kerkuilen
Everberg: perslekkers. 
Evergem (O.): taatjespapeters (= aardappelpap)
Ezemaal (B.): ezels 

vervolg G, H, I & J

 

G

Gaasbeek (B.):
 heren . 
Galmaarden (B.): Brabantse patatten . 
Geel (A.): zotten 
Gellik (L.): heiklieten (= vogel)
Geluwe (W.): 
gapers.
Genk (L.): heikneuter 
Genoelselderen (L.): loerjägers 
Gent (O.): 
stroppen (stropdragers).
Geraardsbergen (O.): giezbaargen, bergkruiers 
Gestel (A.): kloonsociëteiters
Gijzelbrechtegem (W.): bezembinders
Ginglegom: 
groenhalzen.
Gistel (W.): hovelingen 
Godveerdegem: picarren , flierefluiters.
Gooik (B.): botermelkzakkenhespendrogersteljoorlikkersvechters
Goteringen: moorkrabbers
Grembergen (O.): zandeters
Grimbergen (B.): 
kraaischutters
Grimde (B.): hanemannen
Grote-Brogel (L.): briemsnieërs ( braamsnijders) 
Grotenberge (O.): 
ezels, savooistekken
Grote-Spouwen (L.): kalveren
Groot-Gelmen (L.):
 genannen. 


H

Haan (De) (W.): dennelopers
Haasdonk (O.): rostekoppen, 
kasseidieven.
Haaltert (O) stoefers, chiprioten
Halle (A.): pierenvaantjesboeren 
Halle (B.): vaantjesboeren. 
Hamme (O.): wuiten , (= vogel) winten (= roetaard) 
Hamont (L.): poelvulders, linnentoeters 
Harelbeke (W.): scheepstrekkers, ratten
Hasselt (L.): lekkebaarders, vinstermikken,
ossekoppen.
Hechtel (L.): koeketers
Heestert (W.): toveressen
Heist (W.): keuns (= konijnen), verzeilders, Heistse zwanen
Heist-op-den-Berg (A.): achterblijvers,
 telaatkomers.
Hekelgem (B.): hopboerenverkenssmeerders. 
Heks : heksen
Heldergem (O.): lekkers 
Helen-Bos (B.): berrevoetlopers
Hemiksem (A.): 
niks bekend 
Herderen : koeien
Herdersem: 
meiviskoppenwalen. 
Herderen: Herent (B.): bezetenen 
Herentals (A.): klokkeververspee stekers, nestbedervers, toefelaars, melkteilen, papscheten, papklossers, nestzitters.
Herenthout (A.): stoeters.
Herfelingen (B.): langoren
Herve: boeren
Herzele (O.): ganzenwachters, markaangasten.
Heule (W): de kouden.
Hillegem (O.): 
potlekkers
Hingene (A.): eters .
Hoboken (A.): strontscheppers, beerschippers
Hoeilaart (V-B): doenders , kolenbrander, eierzuiper, spekdief,stoefers 
Hoelbeek (L.): heksen.
Hoestel (L.): doornkappers 
Hoevenen (A.): gansrijders 
Hoogstraten (A.): 
spilzakken .
Horpmaal (): titers. 
Houthalen-Helchteren (L.): luizenverkopers
Houtvenne (A.):
stekkebijters.
Hove ( A.):kèèskoppen.
Huizingen: de heren van Huizingen.
Hulste: rijstpekkers
Hulsthout (A.): vichters,torenboeren. 
Humbeek (B.): brassers
I

Ichtegem (W.): kakkernest 
Iddergem (O.): 
tovenaars.
Idegem (O.): zweetvoeten 
Ieper (W.): kindershet gaperkekeikoppen, kattekoppen 
Impe (O.): omleegvallers. 
Ingelmunster (W): brigands
Izegem (W): pekkers. 


J

Jette (B): spiegelmannen.

vervolg K & L

 

K

Kachtem (W.): rosten.
Kalken (0.): hunkerboeren, unkerzakken, (- pap met roggebrood)
Kalmthout (A.):heikneuters.
Kanegem (W): niet-weters.
Kanne (L): witters.
Kapellen (A): randgevallen.
Kapel-op-den-Bos (B.): neusmakers
Kaprijke (O.): 
groeningen.
Kasterlee (A.): pompoenpapeters. 
Kaulille (L.): slippendragers 
Keerbeergen (B.): riemers (= messenvechters), zandjannen
Keiem (W.): keikoppen
Kemmel (W.): 
gapers. 
Kerkom (B.): schreeuwers van den boskant
Kessenich:ertesjieters.
Kester: boenstriepers
Kiel: ratten.
Kieldrecht (O.): koutermollen 
Kleine Spouwen (L.): Geiten
Kinrooi (L.): 
duvelskoel. 
Klerken (W.): reizigers. 
Klinge (De) (O.): dodden, koutermollen, lomporen, voddenrapers.
Kluizen (O.): guêrtrekkers (= slijktrekkers) 
Kluisberg: 
valsmunsters. 
Klijte (De) - Reningelst (W.): keien
Knesselare (O.): moordenaars. 
Knokke (W.): Duinenslapers, Duinezeekers, Polderasten, Wulloks 
Kobbegem (B.): koppigaards
Koksijde (W): brasser.
Komen (W.): drapeniers
Koningshooikt (A.): houtrovers
Koninksem (L.): saladeboers 
Kortenaken (B.): kinderen 
Kortenberg: 
waterheren.
Kortijs (L.): kappermans (drinken bier met kappers), ennebsiters
Kortrijk (W.): pastei-eters, Leiepissers,ennebiters
Krombeke (W.): bosketen
Kuurne (W.): ezels.
Kwaadmechelen (L.): krèmers
Kwaremont (O.): luizen 
Kwerps: 
boeren.


L

Laar: mouton
Laarne (O.):
 messentrekkers ganzendrijvers. 
Laken (B.): boeren 
Lanklaar (L.): zavelknuipers.
Lauw (L.): gekken 
Lebbeke (O.): voddemannen 
Lede (O.):
 hovaardige boeren.
Leeuwergem (O.): stoefers, vortzakken (= rotzakken ), dommeriken. 
Letterhoutem (O.): varkens
Lembeke (O.): savooien, gapers
Lennik: 
strobranderswindheren. 
Leut ( L.): korenmussen
Leuven (B.): 
pietermannenkoeienschieters
Lichtaart (A.): kwezels 
Liedekerke (B.): stad Berrevoets, messentrekkers 
Lieferinge (O.):
beddezekers 
Lier (A.): schapekoppen. 
Liezele (A.): pieren 
Lillo (A.): krabbenvangers 
Linkebeek (B.): moeile douwers.
Lippelo (A.): gedeisterde patatten (= gestampte)
Lissewege (W.): ezelboeren
Lo-Reninge (W.): composteters 
Lochem: 
koolhazen. 
Loenhout (A.): pezeriken. 
Lokeren (O.): rapenbraders. 
Lombardsijde (W.): duinkeuns (= konijnen) 
Lommel (L.): bezembinders, heikappers
Londerzeel (B.): kiekenpoeliers
Lot (B.): 
pensen, plaaggeesten 

vervolg M & N

 

M

Maarheze: 
kattenuil. 
Maaseik (L.): gapers, knapkoeketers , heksen
Machelen (B): gadeluineboeren.
Maldegem (O.): broodmessen, wildjagers
Malderen: papzakken
Malle (A.): 
joden. 
Mariekerke (A.): de heren van Sint Amands.
Marollen: schieven architekt. 
Massenhoven (A.): vliegenstovers 
Mater (O.): vechters 
Mazenzele (B.): bezembinders 
Mechelen (A.): 
maneblussers.
Mechelen (L.):. muggenblussers. 
Meer (A.): wringers 
Meerbeek: 
papboeren.
Meerbeke (O.): gipsheren(= flierefluiters)
Meerdonk (O.): kletskoppen, stuifkoppen, stuifbollen..
Meerhout (A.): meerkatjes.
Meerle (A.): mastentoppen
Meeswijk (L.): briggelhanen (= brood uit onrijp koren) 
Meeuwen: 
de alvermannekens van Meeuwen.
Mere (0.): papboeren.
Meise (B.): klotboeren 
Melle (O.): dikke nekken.
Melsele (O.): pijpkens 
Membruggen: waterratten
Mendonk (O.): palingstropers
Menen (W.): magenwielvangers 
Merchtem (B.): 
houten ballekens, theedrinkers
Merksem (A.): stroboeren. 
Merksplas (A.): spalkers, spetters 
Mesen (W.): dikkoppen
Messelbroek (B.): kalotten
Merelbeke (O): achterworstigge
Meulebeke (W.) Turken 
Meuzegem (Wolvertem) (B.): bosuilen 
Michelbeke (O.): pronkers (= spaarders) 
Middelburg (O.): ketelboeters (= ketellappers)
Mielen (L.): eters 
Millen (L.): snuifdozen, kattenvillers
Minderhout: papboeren
Moerbeke-Waas (O.):smeerkoeketers 
Moerzeke (O.): pruimen 
Mol (A.): soepbeners, 
sopweikers, kortoren 
Molenbeek: vaartkapoen.
Molenbeersel (L.): pierenland
Moorsel (O.): boksers 
Moortsele (O.): platte borzen
Mopertingen (L.): papzakken 
Mortsel (A.): 
zotten
Munsterbilzen (L.): kabuiskoppen (van kabuiskolen) 


N

Namen (N.): escargots
Neeroeteren (L.): kolven (= knuppels)
Neerpelt (L.): 
wolvenschieters.
Nekkerspoel : mestrapers
Nevele (O.): moordenaars. 
Niel (L.): kerk van Niel (betekent bij het kaartspel : kaarten zonder één " beeldeken ") 
Nieuwenhove (O.): grijzers. 
Nieuwenrode (B.): toekkers (= wildstropers), visfretters 
Nieuwerkerken (O.): schapenkoppen, lompe boeren
Nieuwkapelle (W.): muggenblusser
Nieuwkerken (O.): schapenkoppen 
Nieuwpoort. (W.): schrobben (=vissoort) 
Nijlen (A.): 
sparrijders.
Nijvel: aclots.
Ninove (O.): wortelmannenkaffeegieterswortelkrabberssteksesmannenvoddenmannen.

vervolg O, Q & R

 

O

Oelegem (A.): 
Oelegemse brakken (= grote mieren).
Oevel: biechtstoel.
Okegem (O.): hoppewinders .
Olen: de boeren van Olen.
Onkerzele (O.): toverheksen 
Oombergen (O.): gersbuikers
Oordegem (O.): polkaboeren 
Oorderen (A.): karotenbuter (in verband met de teelt van cichoreiwortels) 
Oostakker (O.): savooistekers. 
Oosteeklo (O.): geitenpoepers 
Oostende (W.): platen, pladijzen (= vissoort.), Schollen 
Oosterzele (O.): groenbuiken, zeiktelen 
Oostmalle (A.): 
joden. 
Oostvleteren (W.): smouteters 
Opglabbeek (L.): brouwers. 
Ophem: halve wilden
Ophoven (L.): kinderen van -.
Oplinter (B.): wannessen 
Oppem-Wezembeek (B.): halve wilden 
Opwijk (B.): drinkers 
Orsmaal (B.): engwörpers (eendenwerpers) 
Ossel: 
bèren.
Oten (A.): (lompe) boeren
Ottergem: advocaten.
Oudegem (O.): gierigaards 
Oudekapelle (W.): muggenblissers 
Oudenaarde (O.): boneknagers, kiekens 
Overmere (O.):
 smouters .
Overpelt. (L.): blazers (baanvorm van toren) 
Overijse (B.): doenders (= koeksoort) 


P

Pajottenland: 
kersenboeren.
Pamel: arjaunen.
Panne (De) (W.): puzzieschieters . 
Park (B.): zwaantjes 
Paulatem (O): 
Paulatemse puitenrijders.
Peer (L.): muggenblussers.
Perk (B.): wildstropers
Peutie (B.): slappe benen.
Pollare (O.): troteters (= appelmoes) 
Poperinge (W.): krombenders,keikoppen, heisnijders, langoren 
Poppel (A.): krombenders. 
Pulderbos (A.): stokslagers
Pulle (A.): heikneutes 
Putte (A.): mattenbreiers, 
verbrande Puttenaars 
Puurs (A.): kipkapfretters . 


R

Ramsdonk (B.): opgeslagen broeken 
Ramsel (A.): poleerddabbers 
Ratte: kortoren
Ravels (A.): 
pieren 
Rekem (L.): gekken 
Relegem (B.): groenvinken
Ressegem: emmers,  
lompe boeren van Ressegem 
Retie (A.): kortorenklaplopers. 
Riemst (L.): éénwinters (= éénjarig kalf), koeien, lepkens, loerjagers 
Rijkevorsel (A.): papboeren,
kleidabbers. 
Riksingen (L.): kersenplukkers 
Rode:voetbrander
Roeselare (W.): 
sulferdoppersvechters.
Rollegem (W.): bot Rollegem.
Ronse (O.): slekkentrekkers, (in verband met de Fiertel) ,zotten.
Rossem (Wolverlem) (B.): bosuilen 
Ruisbroek (A.): kaballen. (oude versleten paarden) 
Rummen: boeren.
Rumst (A.): lazaruskens (vereniging H. Lazarus) 
Rupelmonde (O.): muggenblussers 

vervolg S & T

 

S

Schaarbeek (B.): 
ezels 
Schaffen: koeistetten (koeienstaarten) Scheldewindeke (O.): platte beurzen
Schellebelle (O.): maantjes (Reus heette maantje)
Schendelbeke (O.): jeneverdrinkers 
Scherpenheuvel (B.): 
kaarskatten,kladder. 
Schilde (A.): rakkers, rabauwen (vechtersbazen)
Schoonbeek: pettemboeren. 
Schoonderbuken: bezembinders.
Schuiferskapelle (W.): naar S. gaan (= vertrekken) 
Sinaai (O.): schinkeleters
Sint-Agatha-Berchem (B.):
 lastigen. 
Sint-Agatha-Rode (B.): padden 
Sint-Amands (A.): kipkap 
Sint-Antonius: varkenskoppen
Sint-Antonius (Brecht) (A.): 
verkenskoppen rakkers houtmaaiers.
Sint-Denijs-Westrem (O.) : sint-Denijsers
Sint-Eloois-Winkel (W.): rijstkakkers.
Sint-Genesius-Rode (B.): bezembinders 
Sint-Gillis (B.): kolenkappers 
Sint-Gillis (O.): sprinters 
Sint-Gillis-Waas (O.): 
eiertrappers . 
Sint-Goriks-Oudenhove (O.): kraaienest, preibuiken 
Sint-Huibrechts-Lille (L.): windmakers 
Sint-Job-in-'t-Goor (A.): bosuilen 
Sint-Joris-ten-Distel: 
lattenklevers. 
Sint-Kattelijne-Waver (A.): (onversaagde Jan) kadodders 
Sint-Kwintens-Lennik: windherenstrobranders. 
Sint-Kruis-Winkel (O.): savooistekken 
Sint-Kwintens-Lennik (B.): strobranders 
Sint-Lennaarts (A.): leempikkers, kleipikkers 
Sint-Lievens-Esse (O.): kwezels (met zwarte kousen)
Sint-Lievens-Houtem (O): 
broekwassers. 
Sint-martens-Lennik (B): boeren
Sint-Niklaas (O.): 
rapenbradersoliezekers, blauwselmannen
Sint-Pieters-Lille (A.): krawaten.
Sint-Truiden (L.): kiekeneters, bink 
Stabroek (A.): ajuintrappers.
Stalhille (W.): beslagmakers 
Stavele (W.): rosten 
Steendorp (B.): 
mosterdpotten.
Steenhuffel (B.): klotboeren.
Steenokkerzeel (B.): kaasboeren.
Steendorp (O): mosterdpotten.
Stekene (O.): blauwbuiken, vechters, baanstropers 
Stokkem (L.): mandenmakers
Stokrooie (L.): zo zuiver als de klater (kerkschaal) van S. (= bezit niets meer) 
Strijtem (B.): waterdrinkers 


T

Temse (O.): 
azijnzekers,tuysschers.
Teralfene (B.): Turkenzotten
Tergnée : vampieren.
Terhagen (A.): rotte-hondenvreters 
Terheiden (A): 
torenboeren.
Ternat (B.):kalen,zomerheren, Stom Loummek, zot Wammek, kaal Ternat, 3 parochies van den hond zijn gat 
Tielt (W.): lijnwadeniers. 
Tienen (B.):boterpottenkwèkers.verkensblussers . 
Tisselt (A.): lijkenpikkers, raaien 
Tollembeek (B.): hanezoekers .
Tongeren (L.): mussen, trullen (= ovaalvormige tarwekoekjes), trullebakkers, vlaaieters, vlaaischijters. 
Torhout (W.): boffers 
Tremelo (B.): 
zandstuiversmessentrekkers, messen-vechterskiekenfretters. 
Turnhout (A.): binkenmuggenblussers 

vervolg U, V, W & Z

 

U

Uitbergen: teutemensen.
Uitkerke (W.): dessers (= dorsers)
Ukkel (B.): rattenfretters 
Ulbeek (L.): loerjagers 


V

Vaalbeek (B.): broodfretters 
Val-meer: knabbeneire
Veldwezelt (L.): wortelzekskes, verkens 
Velzeke-Ruddershove (O.): 
moordenaars, beneknagers, bedelaars 
Verrebroek (O.): filippen, kerkschijters. 
Veurne (W.): Veurnse slapers,, keikoppen 
Viane (O): strontraper
Vichte (W.): zwijnkot 
Vilvoorde (B.): 
pjeierefretters 
Vinkt (O.): stinkers (Vinkt-stinkt) 
Vlamertinge (W.): plaatsekraaien, brandhazen 
Vlekkem (O): 
zop-eters
Vlezenbeek (B.): kersenboeren .
Vlijtingen (A): witte kamezollen
Vlimmeren (A.): 
peggersStad Worst.
Vollezele (B.): hengstemans (paardefokkers), boschverkens. 
Voorde (O.): jeneverdrinkers, puitrijders 
Voormezele (W.): paptelen 
Vorst (A.): pootzakken .
Vorst (B.): hondenfretters 
Vosselaar (A.): 
messenstekers .
Vrasene (O.): bulten 
Vrijbos (Het) (W.): bosketen, buskanters (gemeenten waarover het Vrijbos zich uitstrekte) 
Vroenhoven: sokkeleire


W

Waanrode (B.): 
torendraaiers.
Waardamme (W.): waaromme 
Waarschoot (O.): brouweters (koeksoort), geitenpoepers 
Waasmunster (O.): hespeneters 
Wakken (W.): 
waterheren .
Waltwilder (L.): judaswilder
Wambeek (.): klaverboeren.
Wannegem-Lede (O.): kludde met zijn bellen 
Watou (W.): schotters (= schutters) 
Waregem (W): 
gèsloeties.
Weelde (A.) (zie Poppel) 
Weert (A.): slijkneuzenrogstekkers, heksen. 
Welden (O.): Welle (O.): vrekken, duivetjes 
Wellen (L.): bokkenrijders.
Wenduine (W.): ezels 
Wervik (W)): slapers.
Westerlo (A.): kale heren
Westmeerbeek (A.):karleespoorders.
Westrem (O.): ophangers 
Westvleteren (W.): kersemoeseters 
Westerlo (O.):
flierefluiters.
Wetteren (O.): mosselmans, haringfretters 
Wevelgem (W.): lopers 
Wichelen (O.): 1) 
schooiers.
2) schooiers.
Wiekevorst (A.): kiekenpoten 
Wieze (O.): zottenvliegeneters 
Wijnegem (A.): "aambras "-makers (twisters) 
Willebroek (A.): waterratten, lijkenpikkers, vaartkapoenen. 
Wilrijk (A.): 
geitekoppen. 
Wintam (A.): kazakken .
Wingene (W.): gouden ring
Wondelgem (O.): kerremelkzekers 
Wortegem (O.): penen boeren 
Woubrechtegem (O.): zotten 
Wulveringen (W.): zottekot 
Wuustwezel (A.): 
hörten (= moeszeikers) . 


Z

Zaffelare (O.): beseboten.
Zandhoven (A.): 
mastentoppen. 
Zandvliet (A.): kieviten .
Zegelsem (O.): ponkers 
Zele (O.): kloddezak. 
Zellik (B.): onstuimigen 
Zelzate (O.): beseboten, polkaheren 
Zemse-Laar (B.): honden 
Zerkegem (W.): zandlopers 
Zeveneken (O.):
 katoenpletsers.
Zevergem (O.): tsuurkenszuipers (= halve pintjes), appelmoesfretters
Zichem (B.): heren (de heren van Zichem)
Zichen-Zussen-Bolder (L.): schildpadden 
Zingem (O.): wannemakers 
Zoerle-Parwijs (A.): heksen 
Zoersel (A.): 
houtdraaiers .
Zonhoven (L.): zon 
Zottegem (O.): mergelspensen, zotten, stoofmakers, beslagmakers,theezeikers, ,schoenmakers. 
Zoutleeuw (B.): waterratten
Zuienkerke (W.): vlasbinders 
Zutendaal (L.): (zoet) 
Zwevezele (W.): paptelen 
Zwijndrecht (A.): 
machuten.